Patiënten | Reguliere behandeling | BehandelingDuur van antistollingsbehandelingEen antistollingsbehandeling stopt pas op het moment dat de kans op trombose of embolie heel klein is geworden, of is verdwenen. Een andere reden voor beëindiging is een verhoogde kans op een bloeding. ![]() Uw behandelend arts beslist over de duur van de behandeling, niet uw trombosedienst. Bij sommige aandoeningen is een levenslange antistollingsbehandeling noodzakelijk. Voorbeelden zijn boezemfibrilleren, de aanwezigheid van een mechanische kunstklep in het hart en het herhaald optreden van een trombosebeen of longembolie. Een tijdelijke antistollingsbehandeling komt onder andere voor na een orthopedische operatie (zes weken tot drie maanden), een trombosebeen (meestal drie tot zes maanden) of een eerste longembolie (meestal zes maanden). Is er sprake van een erfelijke risicofactor, dan bekijkt de behandelend arts of (en hoe lang) de antistollingsbehandeling wordt voorgezet. Dit is per persoon verschillend. Stoppen met de behandelingUw behandelend arts vertelt aan de trombosedienst wanneer u mag stoppen met de antistollingsbehandeling. Soms gebeurt dit al direct bij de aanmelding. Het gebruik van antistollingsmiddelen hoeft niet te worden afgebouwd. De behandeling kan probleemloos van het ene op het andere moment stoppen. Kinderen met tromboseTrombose komt meestal voor bij ouderen. Toch kunnen ook kinderen trombose hebben. De behandeling verloopt hetzelfde als bij volwassenen. Er is geen sprake van extra bijwerkingen, of van nadelige gevolgen voor kinderen. Wel is het verstandig om een kind dat antistollingsmiddelen gebruikt geen blessuregevoelige sporten te laten doen, zoals hockey of voetbal, met het oog op het bloedingsrisico. Daarnaast is het belangrijk alert te zijn bij verwondingen en harde stoot- of valpartijen, met name als deze gepaard gaan met hoofdletsel! Neem bij bloedingen contact op met uw huisarts en met uw trombosedienst. Copyright © 2011 INR Trombosedienst | Disclaimer | Sitemap |





